Is uitheemse beplanting slecht voor onze biodiversiteit?

Uitheemse beplanting, er zijn veel tegenstanders.  Maar goed ingeburgerd zijn ze zeker nuttig voor onze omgeving.

Misschien ben je afgelopen zomer in het buitenland geweest. En zag je (sub)tropische, mediterrane of andere aantrekkelijke beplanting waarvan je denkt, wow die zou ik ook willen in mijn omgeving, dan ervaar ik steeds weer dat sfeertje.

Onder de groene vaklieden zijn brede discussies over alleen maar inheems (=van nature voorkomend in de nabije omgeving) of toch ook uitheems  (= niet van nature voorkomend in een leefgebied). Hier geen discussie. Wél wil ik vertellen waarom ik bepaalde keuzes maak.

Beplanting kiezen

Je groene buitenruimte ligt op een bepaalde plek in een omgeving. Wat is en wat was er in deze omgeving? Ik kijk o.a. naar type landschap, historie, grotere elementen dichtbij, zoals bebouwing en beplanting. Wat vind ik ervan, hoe voelt de plek?

Bovenstaande is bepalend voor mijn keuze in type beplanting. Daarnaast zijn er natuurlijk wensen in gebruik, functionaliteit en sfeer. Bijvoorbeeld een dichte beplanting om geluid te dempen of juist luchtige structuren om een ruim, maar wel groen en geborgen gevoel te  ervaren. 

Inheems versus niet-inheems

Ik kies inheemse beplanting omdat deze planten biodiversiteit bevorderen en lokale ecosystemen ondersteunen. Uitheems kies ik wanneer ik daar een meer passende beplanting vindt vanwege vorm, structuur, hoogte of bloeitijd. En dan wel beplanting die bijdraagt aan voedsel, schuilplaatsen, etc.,  voor lokale diertjes. Een open bloempje, langere bloeitijd en of goede schuilplekken voor eitjes, nesten, zorgen voor voldoende biodiversiteitswaarde.

Want net als mensen, kunnen vreemde planten en dieren kunnen ook aan elkaar wennen. Soms duurt het even, maar we zien bijv. in steden dat uitheemse beplanting zich daar aanpast. En vergeet niet dat beplanting de laatste tijd extreme situaties van droogte en nattigheid moet ondergaan. Het is de moeite waard om dan uitheemse soorten te proberen die gewend zijn aan dergelijke omstandigheden. Er zijn voldoende uitheemse soorten die goed ingeburgerd zijn en waar bijen en vlinders van smullen: zoals Wilde venkel (Foeniculum vulgare) uit Italië, Japanse anemoon (Anemone x hybrida), herfstasters (Aster ageratoides).

Variatie is belangrijk

Soort variatie blijft belangrijk, voor zowel inheems als uitheems en gekweekte soorten. In deze laatste groep zijn niet alle soorten nuttig. Gevulde bloemen bijvoorbeeld zijn niet aantrekkelijk.  Een bij of vlinder kan in een gevulde roos niet bij het voedsel. Ook monocultuur liever vermijden, want bij ziekten en plagen is je groene plek kwetsbaarder. Lees hier meer over biodiversiteit.

De juiste plant op de juiste plek.

Warmte, koude, lichtbehoefte, waterbehoefte, bodem en passend bij de omgeving blijven basiselementen die mijn keuzes bepalen. Een tropische palmentuin is afgezien van de niet passende landschapszone eigenlijk ook visueel een dissonant in onze omgeving. Als je een dergelijk junglegevoel wilt, dan kan dat ook met planten zoals varens en of weelderige beplanting met groot donkergroen blad. Het gewenste gevoel creëer je met een goed ontwerp en passend beplantingsplan.

Groenadvies gesprek

Wist je dat veel inheemse planten al spontaan opkomen? Denk maar aan (Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea) of een gewone Vlier (Sambucus nigra). Hun zaden verspreid door de wind of dieren ontkiemen daar waar ze het fijn vinden. Wil je een beplantingsplan waarin inheemse planten de hoofdrol spelen? Vraag dan een adviesgesprek aan.

Uitgelicht

Inheemse planten

Dit is beplanting die van oorsprong voorkomt in de omgeving. Hierdoor beter aangepast aan het lokale ecosysteem, want ze zijn hier opgegroeid en gewend aan lokaal klimaat, flora & fauna. Zo zijn lokale insecten meer gewend om voedsel te vinden bij lokaal opgegroeide planten. Zo ondersteunen flora& fauna elkaar. Als beplanting en dieren het fijn hebben samen, dan zijn de zo belangrijke bodemstructuren ook gezond.

Uitheemse planten

Dit zijn soorten die van nature niet in de omgeving voorkomen. Extreem voorbeeld is een palmboom. Omdat zo’n exoot niet gewend is aan de nieuwe omstandigheden en het lokale ecosysteem ook niet aan de exoot, helpen ze elkaar minder goed. En dragen ze dus niet of minder bij aan biodiversiteit. Gelukkig zijn er genoeg soorten die de moeite waard zijn om te planten en veel bijdragen aan biodiversiteit.

Inheemse en uitheemse soorten kunnen prima samenleven wanneer er ecologisch evenwicht blijft.  Daarmee kunnen we de bloeiperiode in onze omgeving verlengen zodat er langer voedsel beschikbaar. Win-win-win toch?